ON EST PARTI! Een nieuw leven beginnen in Frankrijk.

Category Archives: On The Road

Verliefd op een huis dat nog niet af is…

(Gepubliceerd in Charlie Magazine op 6 januari 2017)

De twee meest gestelde vragen op dit moment zijn: ‘Hadden jullie zelf verwacht dat het zo lang zou duren?’ en ‘Zouden jullie dat nog eens overdoen?’.

Op de tweede vraag kan ik onmiddellijk en met een stellige ‘Nee!’ antwoorden. Mocht ik me ooit nog in een situatie bevinden waarin we onszelf van een woonst moeten voorzien, dan plaats ik een container!

De eerste vraag is een ander paar mouwen. Want ook al koesteren we allemaal de ijdele hoop dat we controle kunnen uitoefenen, in het leven lopen de dingen niet altijd zoals gepland. En met ons groots avontuur om naar Frankrijk te verhuizen is dat niet anders. Toen we zo’n 4 jaar geleden de deur in Antwerpen achter ons sloten voelde ik me zo vrij als een vogel en dartelde mijn hart als een jong veulen. Mijn man Bert, ikzelf en onze drie jongens trokken in een kleine caravan het avontuur tegemoet. Na enkele maanden rondtoeren vonden we een prachtig stukje grond, hoog in de bergen in de Ardèche. We besloten onze eigen wonen te bouwen, het leek me toen nog zo romantisch. Een ‘oergebaar’ noemde mijn vader het, net voor zijn overlijden.

Maar het leven heeft een eigen logica waar wij ons als mens, willens, nietes, naar moeten schikken. We wonen nog geen jaar in Frankrijk als mijn vader en schoonvader vlak na elkaar sterven. Dat hakte er behoorlijk op in. Niet alleen ging het allemaal zo snel, het was ook zo dicht op elkaar. We kregen geen tijd om even op adem te komen. En dat intense verdriet willen we niet in ons huis, dus beslisten we de eerste zomer te laten passeren. First things first.

De lente daarop was het dan eindelijk zo ver, we begonnen met de eerste graafwerken om te berg af te vlakken. Maar reeds na enkele scheppen stootten we op een onvoorzien object. Plots hadden wij een metershoge fontein op ons terrein en had het dorp geen drinkwater meer… Heel Nozières was vanaf dat moment op de hoogte dat de Belgen met hun werkzaamheden begonnen zijn. Op het kadaster valt geen enkele leiding te bespeuren. Oude kaarten, slordig werk.

De dag brak aan dat er een vrachtwagen met een lading grote boomstammen het kleine Nozières binnen manoeuvreerde. Ooit wordt dit het skelet van onze woonst.

Maar eerst worden ze manueel ontschorst. Nadien verzaagd, in elkaar gepuzzeld, vervolgens met een tractor tot op onze grond gereden en met veel mankracht rechtgetrokken. De Amish achterna.

Ik koester de herinneringen aan de drukke zomers waarbij er tientallen vrijwilligers van over de hele wereld een handje kwamen toesteken. Overdag zwoegen en zweten en ‘s avonds allemaal samen dineren aan lange tafels. Prachtige ontmoetingen en een hart vol dankbaarheid.

Maar zo’n zelfbouw dat vreet uw energie, uw tijd en al helemaal uw centen. De druk op ons gezin is met momenten niet te harden. Soms lijkt het of dat huis het enige is dat ons nog verbindt. Op die momenten vervloek ik heel dit avontuur en vraag ik me af waar wij in godsnaam ooit aan begonnen zijn. Er volgden zeven, jawel zeven!, verhuizingen op vier jaar tijd. Want tijdens de winter logeren we in een kleine gîte en in de zomer kamperen we naast de bouwwerf.

En dan heb ik er mijn buik vol van. Nog even sputtert Bert tegen: dat het huis nog niet voldoende afgewerkt is. Maar er is geen ontkomen meer aan. En een mens is iets wonderbaarlijk. Ik ben zo verliefd dat ik een heleboel blinde vlekken heb gecreëerd. Dat de elektriciteit via het badkamerraam binnen komt. Of hoe een steile ladder dienstdoet als trap. De uitpuilende isolatie in elke ooghoek. Ik zie daar allemaal niets van.

Maar ook daar moeten we eerlijk en realistisch in blijven. Ooit zal ik een badkamer willen met tegels, een deur in het toilet of een keuken die uit wat meer dan enkele planken bestaat. En dan zal ik weer aan Bert zijn mouw gaan trekken. Eerst zachtjes, erna steeds harder. ‘Ken jezelf’. Maar op dit moment woon ik nog steeds in het schoonste huis van de wereld, val ik nog elke dag achterover van het uitzicht en geniet ik nog steeds van de kibbelende jongens die we overal horen omdat we nog geen muren hebben. Laat de winter maar beginnen!

 

_0666756 _0666951 12002553_10154295988854832_853701122067097437_o 12045428_10205376010905182_1968004264993890595_o 14717073_10207813770967660_7000959619128932127_n dscf1982 dscf2021 dscf2129 dscf3327 dscf3389 dscf7228 dscf7234 dscf8103 dscf8271 dscf9084 img_0592 img_5011 img_5547 img_5769 img_5852 img_5975 img_6129 img_6664 img_6846 img_6854 img_8209-kopie%cc%88ren img_20150209_130039 img_20160929_190142 img_20161009_175925 img_20161204_092121

Save

Thuis

God wat zijn we blij om weer ‘thuis’ te zijn! Ik vind het zo heerlijk dat ik deze prachtige plek nu mijn thuis mag noemen dat ik het tegen iedereen maar herhaalde: ‘wij gaan over twee dagen weer naar huis’ of  ‘wat zal ik blij zijn om weer thuis te zijn’.

De twee weken die we in Antwerpen hebben doorgebracht hadden iets stormachtigs. En wat was ik daar och zo totaal niet op voorbereid. Ok, de to-do-lijstjes waren verschrikkelijk lang, maar dat het naast zo’n drukke periode ook nog eens zo’n impact kon hebben, daar had ik niet bij stilgestaan. Over een contrast gesproken na die lange rustige periode met ons vijven zo dicht bij elkaar en de natuur…

Het zijn clichés maar toen we Antwerpen binnenreden viel het ons zo erg op hoe grijs een stad wel niet is. Grijze straten, grijze muren, grijze wolken,… En zo’n drukte op de straten. Je moet op zoveel tegelijk letten. Het duurde een paar dagen vooraleer ik weer wat ‘streetwise’ was en niet om de haverklap van mijn sokken werd geblazen.

De hectische, stressvolle levens die er geleid worden maakten ons soms horendul.

Buiten de paperassenwinkel waar we ons moesten doorworstelen was het heerlijk om tijd te kunnen doorbrengen met familie en vrienden. Huizen werden opengesteld. Bedjes waarin we mochten slapen gedekt. Zo lekker gegeten en dikwijls teveel gedronken. Lange gesprekken en schaterlachen. Een prachtige, uitputtende tijd.

Gelukkig volgde ik een meditatiecursus (wat een verrijking) en deed een leverzuiveringskuur (noodzakelijk). Stopte met roken (nu al 16 dagen!). En ik volgde een  imker-initiatie (en kreeg de bijen-microbe stevig te pakken).

Het waren twee overvolle weken maar nu we weer rustig op onze berg zitten kijk ik met een glimlach achterom.

Ik heb geen tijd gehad om zelf foto’s te nemen dus dank aan Viki voor de zwart-wit reeks en aan Annie, Rowena, Arra & Rona voor de andere.

Eitjes met choco en vliegende herten!

Weer of geen weer, we leven nu al maanden buiten en hebben reeds menig onweer doorstaan. Toch blijf ik zo’n storm, hoog in de bergen, zeer indrukwekkend, ja zelfs angstaanjagend vinden. Donkere wolken die dreigend over de bergtoppen naar je toe kruipen, strakke koude wind die de voorbode is van de aanstormende regen en bulderende donder die je over de bergflanken hoort rollen. Tijdens de laatste storm, gelukkig al even geleden, deden blikseminslagen de caravan trillen op zijn grondvesten!

Maar meestal is het hier volop zomer. Warme dagen waarbij we verkoeling moeten zoeken in het water en zwoele avonden die eindeloos duren. Quelle misère…

Hoe warmer het wordt, hoe groter de insecten die op bezoek komen. Dit ‘Vliegende Hert’ begon te ‘krijsen’ toen ik hem vastnam. Een kever met geluid waren we nog niet eerder tegengekomen.

Ik ben blij dat de kinderen de dode exemplaren ondertussen in een leeg konfituurpotje met deksel bewaren. Daarvoor vonden we ze overal terug en als je ‘s morgens niet goed wakker was kon er weleens zo’n grote kever in je koffietas ronddrijven …

En zo elke dag van ‘s morgens tot ‘s avonds met de jongens samen leven is met momenten best vermoeiend en intens maar toch ook leerrijk. Je begint veel duidelijker hun karaktertrekjes te kennen en ziet hoe verschillend ze alledrie zijn.

Van Fons zijn we het meest verschoten toen hij ineens Engels sprak! Er moet nog aan gewerkt worden, maar Bert heeft tijdens een avondwandeling heel de tijd Engels met hem gesproken. Je vraagt je af vanwaar dat ineens komt. En ok we zitten in Frankrijk maar soit, een taal is een taal denk ik dan. En hij is helemaal gefascineerd door Bonnie en Clyde. Pistolen en ‘slechterikken’ spreken al wel langer tot zijn verbeelding maar dat er ook slechte vrouwen zijn die kunnen schieten tart elke verbeelding! Dromerig staart hij voor zich uit terwijl hij naar ‘Bonnie and Clyde’ luistert van Serge Gainsbourg en Brigitte Bardot. He loves bad girls, zoveel is duidelijk…

Fons’ collectie zelfgeslepen pijlen en speren.

Jules heeft een ongelooflijke creatieve geest. Zo zijn er al langer twee fantasie figuren: je hebt dé Wawi, Jules doet immers nooit iets stouts, Wawi darentegen… En je hebt Heks, die heeft heel veel blauwe kindjes en soms gaat hij bij haar op bezoek of komt zij langs. Jules vloekt ook als een echte oude zeeman en omdat we dat proberen af te leren, verzint hij nieuwe scheldwoorden. ‘Stonker’ is zowat het ergste dat je tegen elkaar kan zeggen op dit moment. En ook zijn smaak kent aparte kantjes: zijn lievelingskaas is blauwe schimmelkaas, hoe straffer hoe liever. En wat dacht u van een hardgekookt eitje met choco als ontbijt?

Gust is de verwende bambino die door het leven danst. Letterlijk en figuurlijk. Als er muziek is begint hij te shaken, als zijn broers ergens opklimmen of ergens afrijden doet hij altijd mee. Maar het leven van een showbeest gaat gepaard met de nodige oorlogswonden. Maar hij doorstaat die met heel veel bravoure.

Wat een heerlijk weerzien met Gilles. Zo lang geleden en toch meteen weer twee handen op één buik!

Hij is gek op dieren en wil alles aaien. Telkens is het een drama als we niet bij elke koe, paard, schaap, geit, varken, kip etc met de auto stoppen zodat hij ze kan aanraken.

Samen zijn het drie jonge wilde welpjes die luid lachend en ravottend over de grond kunnen rollen al kan het een tel later omslaan in een echt gevecht en wordt het een kluwen van kloppende, stampende, bijtende en haartrekkende wildebrassen die ik amper uit elkaar krijg.

Er is altijd veel leven op onze campsite en soms vrees ik dat we alle andere kampeerders zullen wegjagen maar meestal is het het tegenovergestelde. De kinderen worden hier overladen met koekjes en snoepjes en de mensen leven mee met onze avonturen. Elke keer als we de camping oprijden vragen ze of we al iets gevonden hebben. En als zij ‘s morgensvroeg doorrijden laten ze lieve kattebelletjes achter.

Let op de titel van het magazine dat ze achterlieten…

Om toch een beetje in een schools ritme te blijven hebben we hier een mini versie van het Sint-Jansfeest gevierd. Aan de oever van een rivier een kampvuur gemaakt en springen maar! Uiteraard mochten de obligatoire kersen niet ontbreken.

Het leven zoals het is, on the road.

We hebben ondertussen het leven on the road terug hernomen na een laatste editie ‘vrijdagavondfeestje’ in het huisje.

Freija, de keukenprinses, tovert als aperitiefhapje tempura-salieblaadjes, wat niet alleen super lekker blijkt te zijn maar ook nog eens een streling is voor het oog. Enthousiast duiken we de tuin in en proberen vanalles uit: vlierbessenbloesem, saliebloemen,… iedereen verdringt zich rond Freija om te kijken hoe alles door het deegje wordt gehaald en gefrituurd. Om je vingers bij af te likken, zo heerlijk!

 

En de kinderen spelen met alles wat ze vinden en laten hun fantasie de vrije loop.

Oorlogsvoering met de gezelschapsspelletjesdoos

 

Driving the old R4!

 

Het zeer proffessionele wapensarsenaal van Fons en Jules, veilig opgeborgen in hun wapenkoffers.

 

Ik was een beetje bang dat het ons moeilijk zou vallen om na die wijdsheid van een huis weer met z’n allen op 6m2 te moeten leven maar we glijden als vanzelf weer in ons caravannetje en het buitenleven hervatten we alsof we nooit iets anders gekend hebben.

Naast de continue huizenjacht gaan we dikwijls op verkenning met de verrekijker om roofvogels te spotten. En ook een beetje om mensen te begluren.

 

Dichter bij huis is er de ‘potty-training’ van Gust, flink aangemoedigd door zijn broers. Maar het blijkt nogal een opdracht om Gust op het potje te krijgen. Hij vindt het zelf allemaal heel leuk maar hij plast en kakt overal, behalve waar wij willen natuurlijk: ik vind hoopjes strond verspreid over de grond, op zijn fietsje, aan zijn handjes die hij me komt laten zien om ze vervolgens, luid lachend, aan mijn broek af te vegen. Trots komt hij een plasje laten zien in mijn afwasteiltje, maar het liefst van al plast hij gewoon waar hij staat wat op een camping niet altijd door iedereen geapprecieerd wordt… Er is dus wel nog wat werk aan de winkel.

 

 

Bert scheert voor ‘t eerst op onze reis zijn mooie rosse baard af. Gust is zo in paniek als hij Bert ziet dat hij luid krijsend naar mij rent en heel bang vantussen mijn armen naar die vreemde man gluurt die wel wat op papa lijkt en ook dezelfde stem heeft, maar er toch och zo anders uitziet.

 

Jules stelt hem nu elke dag gerust, terwijl hij over Bert’s kin wrijft: ‘dat er alweer wat stengeltjes zijn bijgekomen’.

 

En wie zei ooit dat het eten on the road, saai was? De jongens kijken ‘s ochtends likkebaardend toe hoe ik ricotta-flensjes-met-bosvruchten-en-honing maak.

 

 

Fons schrijft zijn eerste (dictee)brief aan de klas.

 

 

De wasbekkens op de campings blijken badjes op maat van Gust.


En we geraken al wat in het zuiderse ritme met onze siësta’s.

 

 

Hanne en Gust samen in het schaapje.

 

We zijn de eerste gasten in het paradijs van Anne, Jeroen, Lux en Sam. Wat een geweldige plek is Le Moulinage chez Soie! Zo leuk ook dat we allemaal dicht bij elkaar zullen wonen. Wij kijken al uit naar ons volgend bezoekje daar.

Op de camping in Le Cheylard, die zich in de tuin bevindt van een oud kasteel, staan er drie gigantisch grote en oude sparren. Meer dan 150 jaar geleden aangekocht door de rijke eigenaars in Amerika en Canada, als exotisch en tropische bomen voor in hun tuin. Nu zovelen jaren later zijn ze een bron van fantasie voor de kinderen. We leggen onze oren te luister tegen de dikke bast en horen de kabouterjes die erin leven. De jongens noemen het ‘Enten’, zoals de levende bomen uit Lord of the Rings, die ons ‘s nachts beschermen.

En Jules, die de rijkste fantasie heeft van allemaal en ook een echte ‘praatjesmaker’ is, ‘vindt’ regelmatig achter zo’n boom een koekje! Fier komt hij het laten zien en zegt dan dat de Enten dat daar ‘s nachts voor hem hebben klaargelegd en dat hij het mocht opeten, helemaal alleen! Tja, wat zeg ja daar dan op?

 

 

Huizenjacht

Veel mensen vragen ons hoe het nu zit met het huizenzoeken maar het is zo’n lange zoektocht dat het niet op één-twee-drie uit te leggen is.

Het gaat ook veel verder dan het perfecte pand voor een B&B te vinden want onze plannen zijn tijdens dat onderweg zijn al wel wat gewijzigd. We leggen immers ook ‘vanbinnen’ een grote weg af.

Zo zijn we niet meer op zoek naar een grote B&B met gîtes ed maar zoeken we gewoon een pand waar we een leuke woonst van kunnen maken en als er dan extra kamers/verblijven zijn om te verhuren is dat mooi meegenomen maar we hebben ondertussen beslist dat we geen grote zaak meer willen.

Eerder willen we soberder leven en zoveel mogelijk in ons eigen onderhoud voorzien dmv een grote moestuin, dieren etc en daarnaast werk zoeken om de verbouwingen mee te  bekostigen en van te leven.

Dit is ook het meest realistische gezien ons budget. En daarbinnen zagen we al prachtige dingen maar waren er ook veel ‘maar-en’.

Zo zagen we in de Pyreneeën mooie bergeries maar die waren onbereikbaar tijdens de winter. Of zeer authentieke boerderijen in de Gers, Aveyron, Lot en Garonne maar daar durfden we ons, gezien onze niet bestaande kennis van het restaureren van muren-van-eikenbalken-opgevuld-met-leem, aan te wagen. En daar misten we toch ook het wijdse gevoel van de bergen.

Daarnaast is Frankrijk ook een verschrikkelijk groot land met ontzettend veel mooie plekken waar we zouden kunnen leven. Gelukkig is ondertussen ons zoekterrein verkleind naar de Ardèche maar ook dat is nog een zeer uitgebreid stuk grond.

En we zagen hier ook al veel pareltjes maar er was ook telkens een addertje onder het gras.

Zo zagen we een magnifiek terrein, met twee kleine huisjes op, in een gehucht dat voor de rest een ruine was geworden. Je had veel vlak terrein (belangrijk voor een moestuin), heel veel land (13 hectaren!), een killer view en de rust waar we zo naar snakken. Maar… weeral een maar, er is onduidelijkheid over het water.

En ik heb nooit zo hard beseft hoe belangrijk water wel niet is tot ik hier in Frankrijk op zoek ben gegaan naar een huis. Als er geen water is via de gemeente, wat bijna nooit het geval is bij de panden die wij bezoeken omdat wij zeer afgelegen willen zitten, dan MOET je een eigen bron hebben. En die blijkt er niet te zijn.

Er wordt door de makelaar nogal vaag over gedaan: ‘Je mag de bron gebruiken van één van de buren want dat was altijd al zo en nu woont er toch niemand meer’. Maar dat wordt ons door iedereen ten stelligste afgeraden, want als iemand dan ooit ‘njet’ zegt, dan hebben we geen water meer!

De makelaar zegt dat we ook beroep kunnen doen op een ‘sourcier’. Daar hadden we nog nooit van gehoord maar dat blijkt dus eigenlijk een wichelroedeloper te zijn. Stel je voor! Ik, die altijd dacht dat zo’n wichelroede je reinste kwakzalverij was, leer hier nu dat dat in Frankrijk de normaalste zaak van de wereld is en dat het nog werkt ook!

Maar goed, een praatje met de buurman wat verderop leert ons dat er al wat wichelroedelopers voor andere potentiële kopers zijn langsgeweest en dat die steeds zijn bron aanduiden als mogelijke waterbron. En water delen kan je hier niet want in de zomer is er amper genoeg voor één gezin.

Als we hem vragen hoe het komt dat het gehucht verlaten is zegt hij meteen: ‘Niet genoeg water!’. En zo zie je maar, hier betekent geen water, geen leven, mensen die vertrekken en ruines die achterblijven…

Andere panden liggen dan weer te diep in een dal en daar word ik clausterfobisch van. Of liggen naast een dennenbos en daar krijg ik ‘Twin Peaks’ kriebels van. Andere vinden we gewoon heel lelijk. Of het terein is veel te steil. Of je hebt een gsm-mast pal naast je deur staan. Enfin, zo is het altijd wel weer iets.

Dan bekijken we ook de mogelijkheid om een eigen huis te bouwen van stro en leem maar als we dan naarstig op zoek gaan naar bouwgronden blijken die altijd aan de rand van een dorp/gehucht te liggen. Uiteraard ook wel goed dat de natuur hier zo beschermd en niet meteen verkaveld wordt.

Of waarom niet in een Yurt leven terwijl we een ruine in een paar jaar tijd weer nieuw leven inblazen? Dat zijn nog allemaal opties.

Er duiken dus steeds nieuwe mogelijkheden op en we leren meer mensen kennen die weer iets te koop weten staan dus we zitten zeker niet stil.

Veel mensen zeggen dat we wel iets zullen vinden als we er de tijd voor nemen. Want de beste koopjes doe je natuurlijk via de lokale bevolking maar je moet eerst het vertrouwen winnen van zo’n noeste Ardèchois. En daar heb je tijd voor nodig. Want velen willen niet verkopen via een makelaar en ook niet meer aan buitenlanders die er dan een vakantiehuis van maken. Om er zo voor te zorgen dat er tijdens de winter hier vele spookgehuchten  zijn.

En ok, tijd hebben we, maar geduld iets minder. Het lange tijd niets doen vreet al langer aan mij, maar nu soms ook aan Bert. Die een hele nacht droomt dat hij bomen versleept, maw een eigen nest aan het bouwen is.

Maar we hebben er nog alle vertrouwen in dat we hier ooit een fantastische nieuwe fase in ons leven zullen beginnen. En ik hoor nog steeds wat zovelen me voor ons vertrek zeiden: ‘Swaane vergeet niet, het is niet de eindbestemming, maar de weg ernaartoe, die het tot een geweldig avontuur zal maken!’.

 

Huisjesjacht.

Killer views…

Freija, Aidan en Pitu wonen bij uitstek in de mooiste Yurt ooit!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

La vie en Rose

Het leven in ons tijdelijk huisje kent zijn hoogtepunt als Oma op verrassingsbezoek komt!

De jongens weten van niets en we hebben hen wijsgemaakt dat we (weeral) naar een huisje moeten gaan kijken. Dat vinden de jongens ondertussen de meest verschrikkelijke bezigheid die je je kan bedenken. Eerst in zo’n klein kantoortje stil moeten zitten, om vervolgens heel lang in de auto te zitten om dan, naar wat zij noemen ‘een krot’, te gaan kijken! Ze snappen er niets van en zo’n dag eindigt altijd weer in jengelende, krijsende kinderen en wij die ons generen tegenover de mensen die met ons een serieus gesprek proberen te voeren.

Dus we hebben ze echt heel veel zoets en lekkers moeten beloven om ze mee in de auto te krijgen. Als we bij het TGV station aankomen vindt Fons het precies een vlieghaven. Bert verzekert hem echter dat dit het grootste immobiliënkantoor ter wereld is en dat er hier binnen een mevrouw op ons wacht om ons een huisje te laten zien.

Als we binnen bijna direct op Oma botsen, zien ze haar niet meteen. Als ze dan ineens beseffen dat ze die vrouw wel degelijk kennen gaat er iets van een shock door hen heen. Ze staan stokstijf stil en worden eerst heel rood en dan heel erg wit. Ik voel me al schuldig dat ik hen dit aandoe. Ze zijn er de eerste minuten alledrie helemaal stil van en geloof me, daar moet je wat voor doen.

Die dag maken we plannen om vanalles te gaan bezoeken en bekijken maar verder dan de markt geraken we nooit.

 

De zonnige week kabbelt verder en de jongens laten zich die extra aandacht van Oma zeer wel gevallen.

Brandnetels uit de tuin voor een soepje.

Bootjes voor op het riviertje hier wat verder.

Sjoelbakken.

Gust zorgt voor al de scharminkeltjes uit de buurt.

Bellen blazen.

Elke dag gaat er een reuze klaproos meer open.

De natuur staat in volle bloei en dat is niet alleen super mooi maar ik krijg ook bijna dagelijks bloemetjes. Heerlijk!

Openlucht cinema.

En voor we het weten zijn de vijf dagen alweer om en zetten we Oma terug af.

Afscheidstaart voor Oma.

Gust snapt er niets van en zoekt Oma regelmatig in één van de kamers van het huis: ‘Waar is Oma?’. Fons en Jules stellen hem dan gerust dat we Oma over 10 daagjes weer terug zullen zien. Ik zeg maar niet dat het wel wat langer zal duren.

Maar ondertussen zijn er zoveel herinneringen en foto’s om te koesteren.

Deze ochtend zaten we met zijn vieren in bad en begonnen ze weer over één van hun favoriete gespreksonderwerpen:

Fons: ‘Wij hebben alledrie in jouw buik gezeten he?’

Ik: ‘Ja.’

Fons: ‘En ik kwam er eerder uit terwijl Jules en Gust nog even bleven zitten he? Want er was te weinig plaats en wij maakten veel ruzie in jouw buik he?’

Ik: ‘Zoiets ja.’

Jules: ‘En jij hebt in de buik van Oma gezeten he?’

Ik: ‘Ja.’

Fons: ‘Dus dan had Oma een super dikke buik want jij, ik, Jules én Gust zaten er dan in?’

En voor ik kan uitleggen dat het in een beetje een andere volgorde is verlopen slaat hun fantasie volledig op hol en keuvelen ze rustig met hun tweetjes verder…

Jules: ‘En toen deden wij heel zot in Oma’s buik en dan wiebelde die heel de tijd zo.’ (schudt met zijn poep heen en weer)

Fons: ‘Ja, en Oma was dan soms wel wat boos maar ze vond het ook grappig want Oma is nooit boos op ons.’

Jules: ‘Nee, Oma die verwendt ons heel erg.’

Fons: ‘Ja, van Oma mogen wij echt aaaalles!’

Jules: ‘Ja zelfs vijf ijsjes op een dag.’

Fons: ‘Ja want Oma die heeft respect voor ons!’

La maison.

Gelukkige is er afleiding na het vertrek van Oma. Hanne, Jonas, Mingus, Oskar, Freija, Aiden en Pitu komen spelen, eten en blijven uiteindelijk slapen.

Een super gezellige boel. Wat is het heerlijk voor ons allemaal, groot en klein, om hier ook al wat vriendschapsbanden te smeden.

(Gust goot zijn bellenblazer altijd leeg in het zwembad, dat verklaart dus het schuim)

Als het huisje uiteindelijk toch leeg is trekt er een stevig onweer over ons heen en de dag erna regent het onophoudelijk.

Maar nu we in een huisje zitten hoor je ons niet klagen: houtkachel aan, Franse chansons op de platenspeler, pannenkoeken, Pastis en spelen maar… La vie en Rose…

Home sweet Home!

Nee, we hebben nog geen huis gevonden en nee, nee, we hebben er niet de brui aan gegeven en zijn terug in Antwerpen zoals de titel misschien suggereert. Maar we hebben wel een tijdelijk huisje! We hebben een vakantiehuis gehuurd voor een week. De reden hiervoor zal in een volgende blog wel duidelijk worden, maar laten we de spanning er wat inhouden he?

We hebben letterlijk en figuurlijk een lange weg afgelegd. Niet alleen zijn we al meer dan 6 weken onderweg in de caravan, wat tijdens al die regen echt wel zijn tol begon te eisen. We beginnen ook stilaan, na onze fameuze ‘tour de France’, een heel sterk gevoel te krijgen dat we ons gaan settelen in de Ardèche. Zulke dingen leg je moeilijk uit, het is dat gevoel van thuiskomen dat we hebben, als we na een langere periode van afwezigheid, de Ardèche weer binnenrijden, op weg naar ons vakantiehuis.

Dat bergen ‘ons ding’ zijn, weten we nu al wel langer. Maar de Pyreneeën hebben ons (totnutoe) niet zo bekoord als de Ardèche.

We rijden de Pyreneeën binnen.

Als we hier laat in de avond toekomen en het slot omdraaien van wat ooit een oude schoolpoort moet geweest zijn, liggen de jongens meteen languit op de grond te spelen, zo blij met eindelijk wat ruimte.

Bert stookt een groot vuur in de houtkachel en ik flans snel snel een pasta-pesto in elkaar. En als Gust slaapt en Fons & Jules nog even een filmpje bekijken in bed

genieten Bert en ik op het terras van een glaasje wijn.

De regen is eindelijk gestopt maar nu zoeven de meikevers ons rond de oren. Bert vindt het de meest loempe insecten ooit, en ok, het zijn echt ongeleidde projectielen die overal tegenaan vliegen en dan hulpeloos spartelend op hun ruggetje terrecht komen, maar ik vind dat ze iets aandoenlijks hebben. Zo’n dikke, geblokte kever en dan dat kleine fijne, geweitje, zo mooi…

De afgelopen dagen hebben we al zo genoten van dit prachtige oude schoolgebouwtje. Het is heerlijk om eindelijk nog eens in een echt bed te slapen, een bad pakken heeft een extra dimensie gekregen en een wasmachine vind ik dé beste huishoudelijke uitvinding ooit!

De jongens kunnen eindelijk, weer of geen weer, spelen dat het een lieve lust is.

Maar af en toe mag er ook wat gewerkt worden.

Hanne en Jonas hebben eindelijk een dak!

 

En deze foto’s van Le Gouffre de Padirac, wil ik jullie niet weerhouden.

We dalen 103meter af en bekijken daar de prachtige onderaardse wereld. Ik vertel de jongens die erg onder de indruk zijn dat we nu in de buik van de aarde zitten. Maar Jules zegt het nog veel mooier: ‘Nee mama, we zitten nu in het hart van de aarde!’.

Modder en Rio de Janeiro

Het duurt een aantal dagen voor we de tristesse uit onze kleren kunnen schudden. Ik sta ervan versteld hoe diep onze Youps onder onze huid is gekropen. Ik voel me lusteloos, heb geen zin om te schrijven, te koken of wat dan ook te doen. Ook niet echt om les te geven en Fons treedt me daarin bij. Hij vindt de lessen van Juffrouw Knackworst ineens zeer saai en wil liever een meester. Hij wil ook niet vormtekenen en als ik hem dan maar vrij laat tekenen komt er dit uit.

Zegt genoeg nietwaar?

En zo is het een beetje voor iedereen een tijd van ‘nationale rouw binnen onze kleine enclave’.

En dan begint het na een gigantisch onweer in de Pyreneeën ook nog te regenen. Niet plaatselijk boven ons hoofd ofzo maar over heel Franrkijk. En dat weten wij omdat wij ondertussen de weerkaarten als fanatiekelingen om de zoveel uur bestuderen. ‘Is er echt nergens een streepje zon waar we ons naartoe kunnen reppen?’ En goed, die eerste dagen heb je echt nog het gevoel dat je die regen de baas kunt. ‘We gaan ons toch niet klein laten krijgen door wat water he?’ Zeker niet na al die tijd van zon die ons heeft verbrand en voorzien van een leuk kleurtje. Maar goed, soms vloeit het water toch wel rijkelijk. Té rijkelijk.

Er was een tijd dat ik smalend deed over mijn medekampeerders in hun grote witte mobilhomes. Villa’s op wielen met vloerverwarming, satteliettv, douche, toilet, volledig uitgeruste keuken, etc etc

Zij lachen luidop met ons: ‘Reizen jullie echt met vijf mensen in zo iets kleins rond?’ En wij denken dan binnensmonds: ‘Waarom moet je met zo’n decadent, gigantisch groot en comfortabel ding rondrijden terwijl echt kamperen toch over ‘buiten leven’ gaat? Waar is het avontuur gebleven?’

Maar ik geef grif toe dat er nu met momenten toch een zekere afgunst de kop opsteekt. Zeker als ik altijd als enige met mijn armen vol afwas door de regen naar een afwasbak moet lopen. Of als wij met een bende kinderen naar de douche hollen met de paar weinige droge kleren die we nog hebben, om direct na de douche, door de gietende regen, naar de caravan te moeten rennen en meteen weer dingen mogen drogen.

Of als ons gezellig caravannetje één grote droogmachine is geworden. Waar een klein electrisch blazertje de hele nacht al onze natte spullen, die overal hangen, moet proberen droog te krijgen: schoenen, botten, sokken, mutsen, jassen, broeken, etc

En daardoor zitten we al snel in een stoomcabine, waar de condens langs de ramen op onze matrassen en kussens drupt. En dan moeten we een dakraampje openen waarlangs het dan weer netjes binnenregent. En zo blijft een mens bezig natuurlijk.

En on top of that worden de campings steeds vuiler en groezeliger naarmate we het binnenland van de Midi-Pyreneeën verkennen en op huizenjacht zijn.

Elke keer denk je dat je het wel gezien hebt maar hoe langer hoe meer stel je een afwas en een douche uit tot ‘een betere camping’. Niet dat daar door de jongens ooit met één woord wordt over geklaagd natuurlijk.

En voor we het goed en wel doorhebben worden we toch een beetje ‘Sauvage’. Bert en ik lopen al geruime tijd met een muts rond. Niet zozeer voor de koude wat mij betreft, maar eerder om mijn vettige haar te camoufleren. En omdat propere kleren allang niet meer aan de orde zijn, enkel een verse onderbroek telt nu nog, is droge modder die ergens aan kleeft nog helemaal ok.

Je verschiet er echt van hoe snel een mens zijn grenzen verlegt. Modderige lakens? Zand in je wijn? Slakken tussen de afwas? Regenbotten vol water? Oorwormen in je bed? Spinnen in je toilettas? Muskusratten in de rivier naast je caravan? I mean, who cares?

Maar er zijn nog grenzen. Op de laatste camping ging het even te ver. En ok, ik kan nogal vies zijn van dingen, maar als zelfs mijn mannen hun neus ophalen voor het sanitair en de dagen erop de bosjes gebruiken dan weet je gewoon dat er iets goed mis is.

Ik weet dat ik douche, was en afwas wederom zal moeten uitstellen maar als er dan ook nog geen wijn meer blijkt te zijn, knapt er iets. Maar voor ik het op een gillen kan zetten moet Bert iets in mijn ogen hebben gezien en trekt hij de duisternis in met de belofte dat hij nog een flesje wijn zal versieren. Ergens…

En na lange tijd komt hij zeer goed geluimd weer aangelopen mét een flesje rode wijn onder de arm. En zoals ik al vermoedde had hij weer vrienden gemaakt. Blijkt dat er op het einde van deze vuile camping een Braziliaans restaurantje is. Super gezellig volgens Bert. En de toffe Braziliaanse eigenaar had hem met veel plezier een flesje wijn meegegeven maar eerst moest Bert van zijn zelfgemaakte Armagnac proeven.

En zo gebeurt het dat we avond daarop, in dit druilerig en mistroostig stukje Frankrijk, ons ineens in Rio de Janeiro bevinden. We drinken, heupwiegend op de samba, Mojito’s in een ongelooflijk kitcherig decor van felle kleuren, Braziliaanse vlaggen, papegaaien, palmbomen en spiegels versierd met pluimen! En komt het nu door de cocktails, of omdat we warm en droog zitten, ik vind het allemaal prachtig en geweldig!

En ‘s avonds in bed vragen Bert en ik ons, nog steeds lachend, af hoe die verdwaalde Braziliaan ooit in dit godvergeten oord is beland. Met een grote glimlach vallen we in slaap en ik vraag me nog net af of we morgen niet wakker zullen worden en beseffen dat het één grote bizarre, Lynchiaanse droom is geweest …

En dit is het dorpje Rocamadour, weliswaar in de regen, maar toch zeer mooi.

De Joskes!

En dan breekt de dag aan waar we allemaal zo naar hebben uitgekeken.

Gisterenavond kregen we bericht dat de Joskes onderweg zijn naar ons! We pakken ons boeltje in en rijden richting Pont d’Arc waar we samen een weekje vakantie zullen doorbrengen.

Het is verschrikkelijk slecht weer en als we door de bergen rijden sta ik doodangsten uit. Het regent pijpenstelen, er staan stevige rukwinden en de wolken hangen zo laag dat we amper iets zien. Maar we komen heelhuids aan en alsof ook de weergoden weten dat de Joskes er aan komen stopt het eindelijk met regenen.

En wat een heerlijk weerzien is het! Ondanks het modderige terrein en de vochtige koude lucht zijn de kinderen direct vertrokken in hun samenspel en babbelen de mama’s en papa’s honderduit.

En Gust, ja die is overduidelijk verliefd. Als hij ‘s morgens zijn oogjes opendoet is er maar één vraag die telt: ‘Waar is Nina?’. Heel de dag is het ‘Nina!’ of ‘Nini!’ wat de klok slaat en rent hij achter haar aan. Nina slaat er, zoals het een echte prinses betaamt, weinig acht op.

Maar ze delen samen één liefde en dat is Youppie, onze oude Griekse rakker. En hij laat zich al die aandacht wel bevallen. Hij rolt en dolt in het gras alsof hij weer een dartelend puppietje is. Hij vindt het zelfs zo leuk dat ze aan zijn oortjes mogen komen, zijn meest gevoelig plekje.

Er wordt ongelooflijk gespeeld in die vijf dagen en Nina staat zo flink haar mannetje tussen al die jongens.

En de grote mensen doen wat ze het liefst doen als ze op vakantie zijn, zo weinig mogelijk. We brengen een bezoekje aan de Pont d’Arc, echt een magische plek.

Eten een ijsje in het dorp.

De mannen spelen dagelijks een eigen versie van petanque, nl Mudball terwijl de vrouwen zich ontfermen over het eten.

En voor de rest genieten we van ons prachtige plekje in de Gorges aan de oever van de Ardèche.

Wat gaan we de Joskes missen…

En toch ook af en toe les in de mooiste klas van de wereld!

 

De storm en de mierenhoop

Maar goed, we zijn hier niet alleen om op onze luie krent te zitten, er moeten ook streken verkend worden en huizen bezocht.

We trekken naar de Ardeche, meer bepaald, Nozières, waar we vrienden van vrienden ontmoeten: Hanne en Jonas met hun twee zonen Mingus en Oscar en een grote poezenclan.

We zijn moe van het lange rijden en Bert voelt zich niet lekker maar toch wordt het een zeer gezellige avond. We eten wat brood en kaas en drinken wat wijn in hun tijdelijke openlucht keuken met een fantastisch uitzicht over glooiende bergen en dalen. What a view!

De kinderen spelen in de velden en wij luisteren met veel bewondering naar hun verhalen over het leven in Frankrijk en stellen honderden vragen.

Met ontzag bewonder ik Hanne’s moestuin en serre. Ik droom al zo lang van een eigen moestuin. Van met mijn handen in de grond te wroeten. Als een klein kind vind ik het nog steeds pure magie van wat er uit zulke kleine zaadjes allemaal kan groeien. Allemaal zoveel lekkerder en gezonder.

We hoeven het niet tegen elkaar te zeggen maar weten dat dit het soort leven is dat we willen. Die woeste bergen, het ruige klimaat, de prachtige uitzichten, de verbroedering en behulpzaamheid van de mensen daar. Het simpele en sobere leven. De jongens die hier tot het donker wordt buitenspelen. Ja! Zo willen we het!

Die nacht voelen we hoe hard het leven hier soms kan zijn. Hevige rukwinden, regen en hagel teisteren de omgeving en ons klein carvannetje. Ik lig bang te luisteren naar al die oorverdovende geluiden en denk aan Hanne en Jonas die hoog in de bergen tijdelijk in een Yourt leven tot hun huis af is…

En mijn gevoel blijkt juist: als we elkaar de volgende dag treffen op een boerderij-opendeurdag, hadden ze een onstuimige nacht achter de rug. Toen de planken vloer van de Yourt begon te bewegen zijn ze in allerijl naar de buren gevlucht!

Terwijl de stormschade bij ons beperkt bleef tot een volledig kapot gewaaid wasrek en modderige pas gewassen kleren, ondervinden we die nacht ook dat onze caravan pal op een mierennest staat en in no time helemaal ingepalmd wordt. Elk klein en groot kruimeltje wordt direct naar buiten gedragen door ellenlange kolonnes van mieren die zich niets aantrekken van de bende slapende mensen waar ze overheen trekken.

Ik krijg er nog kriebels van als ik eraan terudenk: het eerste wat je ziet als je na een woelige stormnacht, je oog opentrekt is een krioelende menigte! Brrrr

De kinderen darentegen vinden het nog leuk ook: terwijl ik in no time alles uit de caravan sleur pikken zij met hun vingertjes wel honderden mieren dood. Normaal kan ik er niet tegen als welk levend wezen dan ook zomaar wordt gedood maar nu heb ik geen medelijden: Trop c’est trop!