ON EST PARTI! Een nieuw leven beginnen in Frankrijk.

Monthly Archives: November 2015

You are browsing the site archives by month.

Tijd die door je handen glijdt en een wereld die davert

Tja, het leven gleed door mijn handen. Ik had nochtans zo’n drang om te schrijven maar er was wederom die heerlijke zomerdrukte. En dat gaat hier gepaard met zo’n kracht dat ge ineens maanden vooruit wordt gekatapulteerd.
Vrienden, familie, vrijwilligers stromen toe, steken de handen uit de mouwen en bedelen om wat aandacht. En dat wordt met veel plezier gegeven. Ik laaf mij daar aan. Ik leg een reserve potje aan voor de eenzame, stille wintermaanden.
Het strobalenhuis groeit traag maar gestaag. Ik begin voorzichtig te dromen van verhuizen, ergens, hopelijk, volgende zomer…?
Er was werk, veel werk. Koeken bakken, winkeltje spelen, markten doen, huizen kuisen, klusje hier, klusje daar en koken. Ja ik heb de ziel uit mijn lijf gekookt tijdens de vele stages. Geweldige momenten waren dat.
En het was warm, zeg maar, schroeiend heet. Weken zonder een spatje regen. Ik kan me er al niets meer bij voorstellen. Als ik nu naar buiten kijk zie ik dreigende zwarte wolken, kletst de regen tegen de ramen en voeren de bomen een grillige dans uit.

De moestuin heeft erg geleden onder de hitte en mijn afwezigheid. En dat had zo zijn gevolgen voor de oogst. Laten we die gewoon maar als ‘schraal’ omschrijven. Ach ja, je kan niet alles tegelijk doen en volgend jaar beter!

En bij het vallen van de bladeren eigende ik mezelf een schrijvershol toe. Een kamertje in het oude gemeentehuis. Ooit nog het atelier van Freija. Een kamer vol geschiedenis en verhalen. Heerlijk zo’n eigen plek. Ik kan het iedereen aanraden! Een plek waar geen vuile werkmanskleren rondslingeren. Waar geen stro door de lucht dwarrelt. Waar vuile kinderhandjes geen plakkerige sporen kunnen achterlaten.

De jongens trokken na twee maanden ‘vrij leven’ weer naar school. Wat regelmaat en structuur werd door iedereen warm onthaald. Fons zijn laatste jaar in het kleine dorpsschooltje met zijn 34 leerlingen. Het zal wennen worden volgend jaar op ‘de grote school’ in Lamastre. Maar hij is er klaar voor. ‘De kleintjes’ beginnen hem danig op de zenuwen te werken.

En ik schaafde mijn Frans bij. Om mezelf uit mijn isolement te krijgen van afgelopen winter. En ook al staat er nog veel haar op, elke dag klinkt het ‘echter’. En het heeft me zeker geen windeieren gelegd. Na de aanslagen in Parijs, die de wereld doen daveren, bleek het maar goed dat ik me kon mengen in menige discussies. Oeverloos praten en discussiëren zit de Fransen in de genen. Maar een genuanceerde opinie, een onderbouwde mening, jezelf af en toe het zwijgen opleggen… dat is spijtig genoeg niet velen op deze wereld gegeven.

En tussen al dat verbaal en fysiek geweld in de wereld probeer ik een rustig nest te creëren voor mijn kinderen. Ergens op een berg in Frankrijk. In de bossen. Een grote houtstapel herinnert er ons aan dat ze vanaf volgende week sneeuw voorspellen. Dan zal het wonderlijk stil worden en voel je je geborgen. Ik heb die luxe en daar kus ik mijn beide pollekes voor. Ik voel het als mijn plicht, om als tegengewicht voor alle miserie in de wereld, het beste te halen uit het leven. Elke dag opnieuw.

11113910_10154295993379832_9167212707318361456_o

11265395_10154295983309832_166695508491524533_n

11999706_10154295998254832_8846409298596175558_o

12002553_10154295988854832_853701122067097437_o

12014968_10154295994189832_4219252439975583246_o

12015164_10154295998374832_2737895281245185593_o

12022328_10154295992559832_4071624976632945402_o

12038691_10154309871604832_8596417297988434042_o

12039195_10154295987159832_2532719041073869788_n

12042608_10154295986774832_4153466923191685016_n

12045428_10205376010905182_1968004264993890595_o

12068510_10154295988484832_5648538990332919479_o

12080350_10154305394824832_2821950672919545400_o

12095277_10154309871469832_407021215842716937_o

12182507_10205376009785154_3990892993941368284_o

12187994_10205376010105162_818511973682914739_o

IMG_20151110_173949

IMG_20151117_174407

De wetten van de Jungle

Dit artikel verscheen op 10 september 2015 in CHARLIE MAGAZINE.

Afgelopen weekend daalden Thiery en ik de bergen van de Ardèche af met een volle camionette en aanhangwagen om ons aan te sluiten bij het event ‘We gaan naar Calais en nemen mee…’, een burgerinitiatief uit België dat heel veel mensen op de been had gebracht, ook hier in de Ardèche. Uiteindelijk zou ik een heel ander parcours volgen maar daar was ik me toen, die vrijdagochtend om vijf uur in het pikkedonker, totaal nog niet van bewust.

Thiery werkte vier jaren geleden voor Médecins du Monde in de kampen van Calais en omstreken. Een betere reisgezel kan ik me dus niet wensen. Ik vraag hem de oren van het hoofd tijdens de elf uur durende rit naar daar. Maar niets had me kunnen voorbereiden op wat ik in Calais te zien zou krijgen…

Omstreeks vijf uur arriveren we aan het kamp van Calais. Daar is de bedeling van goederen reeds in volle gang. Het is chaotisch en met momenten angstaanjagend. Het lijkt eerder op een plundering: mensen rennen in het rond, trekken aan portieren, duiken in koffers, hier en daar is wat geduw en getrek. Wanneer wij de ingang van het kamp naderen, stormen er vluchtelingen op ons af die op de aanhangwagen proberen te klimmen. Vlug maken wij rechtsomkeer en besluiten het op een andere manier aan te pakken.

We bellen een contact van Thiery, Jean. Jean en zijn familie zijn rasechte ‘cht’i’, zoals de lokale bevolking van Calais wordt genoemd. We worden er met open armen ontvangen door drie generaties die onder hetzelfde dak wonen. We stockeren er onze spullen en schuiven mee aan tafel. De verhalen die ik die avond te horen krijg, gaan mijn verbeelding te boven.
Je kan mensen die op de vlucht zijn voor oorlog of armoede niet tegenhouden.

Al van in het begin helpt iedereen binnen deze familie de vluchtelingen. Het vluchtelingenprobleem in Calais is namelijk geen recent fenomeen. Al meer dan tien jaar is dit het kritieke punt om de overzet naar Engeland te wagen maar ook tijdens de tweede oorlog was dit een belangrijk transitiepunt. De echte problemen begonnen pas toen de Franse regering besloot om in 2002 het legale opvangcentrum Sangatte te sluiten. Vanuit het naïeve idee ‘als we de vluchtelingen niet meer helpen, zullen ze ook niet meer komen’. Maar je kan mensen die op de vlucht zijn voor oorlog of armoede niet tegenhouden. Met als gevolg dat er overal in en rondom Calais ‘squats’ ontstonden. Kleine kampen van vluchtelingen die zich moesten beredderen en afhingen van de vrijgevigheid van de lokale bevolking.

Naast het huis van Jean bevindt zich een groot parkeerterrein voor camions waar zich tot voor kort zo’n squat bevond. Het begon met een klein gebaar: de moeder van Jean vulde flessen en bidons met water en zette die naast het parkeerterrein neer. De dag erop stonden die er leeg terug. Gaandeweg werd er ook voedsel en kleding neergezet. En tijdens de winter hout. En dekens. En speelgoed voor de kleinsten. En nu, zoveel jaren verder, werken Jean en zijn broer elke dag in het kamp (naast hun dagjob) en kennen het als hun broekzak. Ze bouwen huisjes, ze repareren fietsen, ze delen voedsel en kleding uit en hebben nauwe contacten met de vele ‘passeurs’. Dat laatste is een noodzakelijk kwaad, maar de enige manier om dingen gedaan te krijgen. De kinderen verzamelen op school kleding, oude telefoons en andere zaken en sorteren dat thuis. De vluchtelingen weten dat ze altijd bij deze familie terecht kunnen: voor wat eten, een bed voor een nacht, hulp met hun papieren of een gesprek. Een grote pot met snoep staat in het midden van de tafel. “Sommige vluchtelingen hebben nog nooit een ‘bonbon’ gegeten en die gelukzalige gezichten van een kauwend en smakkend jochie verwarmen mijn hart”, vertelt de moeder van Jean me met een vette knipoog.

De volgende ochtend neemt Jean ons mee op sleeptouw in het kamp van Calais. Op het eerste zicht zie je een grote massa vluchtelingen maar eigenlijk zijn dat tientallen kleine communities met aan het hoofd een chef, vaak een ‘passeur’. En het zijn niet alleen Syrische vluchtelingen die je hier aantreft, maar ook Afghanen, Koerden, Eritreërs, Soedanezen, Ethiopiërs, Iraniërs, Irakezen, Oekraïners, Kosovaren, Vietnamezen… Voordien kampeerden deze verschillende nationaliteiten afzonderlijk en verspreid over Calais maar enkele maanden geleden besliste het gemeentebestuur van Calais om de vluchtelingen samen te drijven, op deze plek naast de autostrade. Net op het moment dat de vluchtelingenstroom begint toe te nemen en de overzetpunten strenger bewaakt worden. Nu wonen al die nationaliteiten gedwongen samen en het aantal neemt dagelijks toe. Waren er voordien zo’n 500 vluchtelingen dan is dat de dag van vandaag al meer dan 4000. Iedereen die we passeren groet ons: “Salaam! Bonjour! Hello! Welcome!”

Wat je ziet is een stad die zich ontwikkelt binnen een stad. Mensen beginnen zichzelf te organiseren. Tussen het vuil en de gammele tenten verrezen al een tiental restaurantjes en winkeltjes, een school, een bibliotheek, een kerk en een moskee.

Maar in deze ‘jungle’ heerst de wet van de sterkste. Omdat deze mensen in een uitzichtloze situatie zitten en de Franse en Engelse regeringen hun ogen sluiten, is dit een ideale plek voor criminelen om mensen uit te buiten.

Mensen die uit pure noodzaak hun land moeten verlaten, betalen daar dikwijls grof geld voor aan mensensmokkelaars. Vervolgens leggen ze duizenden kilometers af in mensonterende en ronduit gevaarlijke omstandigheden. En als ze in Calais belanden, worden ze aan hun lot overgelaten en vallen ze opnieuw ten prooi aan malafide personen. Wie aan de overkant wil geraken kan niet zonder een ‘passeur’. Je betaalt 100 euro per persoon voor een poging. En als je in een camion of in een container geraakt, moet je daar minimum nog eens 500 euro per persoon voor ophoesten. Dat verklaart meteen ook waarom sommige mensen al na een dag weg zijn, terwijl anderen er maanden over doen.

Ook hier is er geen rechte lijn tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. Velen worden passeur om zo zelf genoeg geld te verdienen om de overtocht te kunnen maken. Als je iets wil regelen in het kamp moet je met de chefs of passeurs onderhandelen. Maar zij zorgen op hun beurt ook voor een zekere rust binnen het kamp, lossen conflicten op, nemen zwakkeren onder hun hoede. En de echte maffia wonen niet in het kamp maar komen af en toe met hun sjieke BMW het geld cashen op het terrein.

En zo ontstaan er absurde situaties. In één van de Soedanese communities is een Pakistaan de grote chef. Amal, een klein, schriel mannetje, heeft zo’n dertig reusachtige Soedanezen onder zijn ‘bevoegdheid’.

Of je hebt ‘singeur’ een Afgaan die zich al jaren voordoet als een gek en de hele dag luidkeels loopt te zingen. Totdat Jean beseft dat hij helemaal niet gek is, maar dat dat zijn dekmantel is om zonder problemen jaren in het kamp te blijven rondhangen als passeur.

We drinken thee bij Azmin. Dat hij talent heeft, zie je aan zijn huisje dat in de hoogte is gebouwd met uitzicht over het kamp. Een prachtige houten constructie, mét schuifdeur en hangslot en de binnenkant is geïsoleerd met een dikke stof vol witte sterren. Een chef, maar wel eentje die zich ontfermd heeft over een gehandicapte jongen die hier alleen is aangemeerd.

De overzet is en blijft gevaarlijk. Waar je vroeger nog op eigen houtje een poging kon wagen is dat met de metershoge hekken, de politiebewaking en technologisch snufjes zoals een CO2 detector, niet meer mogelijk. Vluchtelingen oefenen met plastieken zakken over hun hoofd om zo lang mogelijk hun adem in te houden. Moeders vragen verdovende medicatie voor hun baby’s zodat deze geen lawaai zouden maken. De mensen die gewond door het kamp strompelen hebben er een mislukte poging opzitten.

“‘s Nachts is het hier erg gevaarlijk”, vertelt Adam, die samen met vier andere jonge mensen een Ethiopisch restaurantje runt. En dat is het ook. ‘s Nachts vloeit de drank rijkelijk, drugs kan je hier op elke ‘straathoek’ vinden en de prostitutie tiert welig.

De politie komt nooit in het kamp. Als er een situatie uit de hand loopt, dragen de vluchtelingen zelf de gewonden naar de rand van het kamp.

We passeren een Iraans gezin. Grootvader, moeder, vader en een klein meisje. Ik geef haar een rode ballon en wat potloden. De moeder bedankt me met tranen in de ogen en een hand op het hart. Het kleine meisje kijkt verwonderd naar de rode ballon. Ik kan alleen maar hopen dat ze hier zo snel mogelijk weggeraken. Dit is geen plek voor kinderen. Voor niemand.

Alle vluchtelingen in Calais zijn afhankelijk van de enkele organisaties die er werkzaam zijn. Zo zijn er Médecins du Monde, Salaam, L’Auberge des Migrants, No Border en enkele kleinere verenigingen aan het werk. Vele van deze organisaties zijn opgestart vanuit Calais, als burgerinitiatief, omdat de lokale bevolking de situatie van de vluchtelingen, waar zij dagelijks mee geconfronteerd wordt, niet meer kon aanzien. Zij proberen allemaal met de beste wil van de wereld deze uit zijn voegen barstende situatie onder controle te houden maar er is niet genoeg voedsel, niet voldoende kleding, niet voldoende slaapplek, niet voldoende sanitair. Ik ontmoet veel gepassioneerde maar ook uitgebluste mensen. Mensen die het beu zijn om te vechten tegen een regering die weigert aan haar plichten te voldoen. Mensen die de dagelijkse miserie niet meer aankunnen. Ik verneem het verhaal van een dokter die op de gevaarlijkste plaatsen ter wereld had gewerkt maar een burn-out kreeg in Calais.

Daarom is het werk dat Jean en zijn familie hier verrichten ook zo belangrijk. Er blijft toch een soort afstand tussen de verenigingen die na de werkuren terug huiswaarts keren en in de weekends vaak afwezig zijn. Jean leeft bijna in het kamp en heeft het vertrouwen van velen gewonnen. Hij kan daardoor aan touwtjes trekken om explosieve situaties weer recht te trekken. Zo vertelt hij me een verhaal over hoe hij acht huisjes had gebouwd voor een groep Ethiopiërs. De volgende dag waren deze allemaal platgebrand. “Jaloezie!”, briest hij. Hij is vervolgens met de jaloerse chef gaan praten en kreeg hem zo ver dat hij samen met de concurrerende community de handen in mekaar sloeg. Samen pootten ze in een recordtijd 22 huisjes neer.

Na een lange dag in het kamp ben ik duizelig van de indrukken en emoties. Om in de sfeer te blijven, gaan we eten in een kebabzaak in het centrum van Calais. Zowel binnen als buiten staan tientallen Syrische jongeren, druk communicerend met het thuisfront. Zij kamperen in de naburige straten en parken. Misschien kennen ze de jungle niet? Misschien willen ze er niet naartoe? Of hopen ze hier heel snel weg te geraken? Een blonde vrouw werkt zich in het zweet om al de bestellingen rond te krijgen en wriemelt zich tussen al die bellende en sms’ende mensen. Gratis internet, een plek om je gsm op te laden en eten ‘zoals thuis’ doen hier wonderen voor de plaatselijke economie. Zoveel is duidelijk. We schuiven ergens aan. De jongeman is hier vier uur geleden gearriveerd. Hij gaat vannacht meteen een poging wagen. Hij toont ons een foto van zijn vrouw en twee kleine kindjes. Zij zitten in een vluchtelingenkamp in Libanon. Hij hoopt ze snel weer te zien. Plots veren ze allemaal recht en verdwijnen de nacht in. Wij wuiven en roepen hen na: “Good luck and take care!”

Voor we weer huiswaarts keren, wil Thiery me nog een kamp laten zien in de buurt van Dunkerque. Dat wordt ons door velen afgeraden. Het is zondagmiddag en omdat er dan geen vrijwilligers zijn, is het dé dag voor de passeurs om mensen op te laden. Passeurs houden niet van pottenkijkers, dat spreekt voor zich. “En tegenwoordig hebben ze ook wapens”, zucht de Algerijnse Faroud die al vijf jaar in de kampen werkt. Hijzelf durft niet mee te gaan maar houdt de wacht aan de ingang.

Een klein meisje rent op ons af: “Hello! Hungry! Hungry!” Haar Iraanse moeder vertelt ons dat er vandaag geen voedselbedeling is geweest. We hebben bewust niets meegenomen om een volkstoeloop te vermijden maar het breekt mijn hart om dat kleine meisje teleur te moeten stellen. Vervolgens worden we bijna van de weg gereden door een auto die met een rotvaart en slippende banden het kamp uitrijdt.

Waarschijnlijk een gestolen wagen, volgeladen met wanhopige mensen. Mensen die hopen dat ze na vandaag eindelijk weer een veilig leven kunnen leiden.

En ik hoop dat vurig met hen mee.

jungle0

jungle4

jungle12

jungle14